Daar ik fotograaf en textielkunstenaar die al jaren werkt met zowel analoge als digitale technieken, merk ik dat de vereniging van fotografie en textiel nieuwe manieren opent om narratieven te delen. In dit artikel bespreek ik concrete inzichten, werkmethodes en referenties die je direct kunt inzetten, of je nu net begint dan wel al een eigen praktijk bezit.
Opslag en conservering van hybride werken
Gemengde werken van foto en textiel vereisen een afwijkende bewaarwijze dan traditionele foto’s. Ik bewaar ze liggend in zuurvrije dozen met tussenliggende vellen Tyvek. Tyvek is ademend en voorkomt dat vocht zich ophoopt, terwijl het gelijktijdig stof en licht weert.
Temperatuur en luchtvochtigheid behoren stabiel te worden gehouden. Een variatie van meer dan 5 graden Celsius per dag kan de lijm tussen foto en textiel beschadigen. Ik controleer daarom de condities in de opslagruimte met een digitale hygrometer en registreer de waarden elke week. Bij discrepanties regel ik de ventilatie aan of verhuis ik de dozen naar een andere ruimte.
Voor transport gebruik ik een platte kist met schuimrubber aan de binnenkant. Het schuimrubber is uitgesneden in de vorm van het werk, zodat het niet kan bewegen. Op de buitenkant bevestig ik een label met de afmetingen en het gewicht, zodat de vervoerder weet dat het werk kwetsbaar is en liggend dient worden vervoerd.
Belichting en contrast bij het printen
De lichtinval tijdens het drukken dicteert hoe precies de details op het textiel zichtbaar worden. Ik werk met een UV-lamp die ik op een vaste afstand van 40 centimeter boven het doek positioneer. Te dichtbij veroorzaakt overbelichting en vlekken; te ver weg produceert een te zachte overgang tussen lichte en donkere partijen.
Contrast is een volgende variabele. Een foto met hoge contrastwaarden kan op textiel te fel ogen, omdat de vezels het licht diffuus maken. Ik verlaag daarom het contrast met ongeveer 15 procent in de digitale bewerking voordat ik print. Dat biedt een organischere overgang en verhindert dat schaduwen volledig zwart worden.
Ik test altijd een strookje van 10 bij 30 centimeter met verschillende contrastwaarden. Op die strook registreer ik de exacte instellingen van de printer en de belichtingstijd. Zo bouw ik een referentietabel op die ik kan gebruiken bij nieuwe projecten zonder telkens opnieuw te hoeven experimenteren.
Het naaien als vormgevend middel
Het naaien is geen loutere afwerking maar een dynamisch element van de compositie. Door garens verschillende dikte te gebruiken, kan ik banen toevoegen die de foto verder opdelen of precies samenbinden. Bij een serie over migratiepatronen naaide ik bijvoorbeeld fijne rode draden over de foto’s heen, die de routes van vogels volgden die ik eerder had gefotografeerd.
De richting van de steken is cruciaal. Een horizontale steek loopt mee met de richting van de weefseldraden en blijft nagenoeg onzichtbaar. Een verticale of diagonale steek breekt het patroon en trekt de aandacht. Ik gebruik daarom een mix van beide: de horizontale steek voor geringe bijstellingen en de diagonale steek voor markeringen die het verhaal benadrukken.
De kleur van de draad bepaalt of de naad samengaat met de foto of juist contrasteert. Bij een donkere foto kies ik een donkere draad zodat de steek enkel zichtbaar is als het licht schuin valt. Bij een lichte foto hanteer ik een contrasterende kleur om een toegevoegde laag toe te voegen die de toeschouwer aanspoort om dichterbij te komen.
Voorbereiding van het textieloppervlak
Alvorens een foto op textiel komt, dient het oppervlak te worden voorbehandeld. Ik reinigt het doek aanvankelijk op 60 graden om alle appret te verwijderd krijgen. Daarna breng ik een een dunne laag polyurethaan aan die de inkt beter behoudt. Deze laag is transparant en beïnvloedt de kleur van het weefsel weinig, maar garandeert dat de inkt niet door de draden heen vloeit.
Het drogen vindt plaats op een rekbare frame zodat het doek strak blijft. Als het frame te klein is, verschijnen er golven die later bij het printen voor onscherpte zorgen. Ik meet daarom altijd de exacte afmetingen van het frame en noteer die bij het bestand, zodat ik later precies weet hoe het doek zich heeft gedragen.
Een tweede voorbehandeling betreft het aanbrengen van een lichte primer op basis van acryl. Deze primer maakt het oppervlak iets gladder zonder de textuur helemaal weg te halen. Bij fijne foto’s met veel detail, zoals macro-opnames van planten, ervaar ik dat de primer het contrast versterkt en de kleuren levendiger doet lijken.
Het samenspel van licht en vezeltextuur
Een foto die op textiel wordt gedrukt, krijgt een andere visuele laag aangezien het licht door de draden reflecteert en diffundeert. Het eindresultaat is in geen geval exact identiek als op papier. Ik optioneer daarom altijd voor een testafdruk op het uiteindelijke doek voordat ik een omvangrijk werk creëer. Zo ontdek ik hoe de opbouw van linnen, katoen of zijde het verschil en de kleurstelling verzachtend beïnvloedt of juist versterkt.
Het licht dat op een weefseloppervlak valt, wijzigt per uur en per ruimte. In mijn atelier test ik daarom prints op verschillende momenten van de dag. Een foto die in de ochtend neutraal lijkt, kan in de middag warmer worden door de zuiderlijke lichtval. Door dit te documenteren, ontwikkel ik een compact lichtlogboek op dat ik later kan consulteren bij andere projecten.
Om de vezelstructuur waarneembaar te houden, gebruik ik een glansloze inktlaag in plaats van een glanzende coating. De matte laag voorkomt dat het licht te veel reflecteert en houdt de weefselstructuur van het weefsel ongeschonden. Dit is met name belangrijk bij portretten waarbij huidstructuur en kledingdetails een belangrijke rol vervullen.
Het kiezen tussen digitale en analoge technieken
Digitale fotografie levert spoed en herhaalbaarheid, maar verliest soms de tactiele kwaliteit die analoge opnames hebben https://rosprojects.nl/. Ik werk daarom met een middenformaat camera voor de digitale reeks en een 4×5 inch camera voor de analoge reeks. De twee series worden later naast elkaar gelegd om te vaststellen welke sfeer het beste past bij het textielproject.
Analoge film heeft een korrel die zichtbaar blijft na het printen op textiel. Die korrel kan een extra laag geven aan het verhaal. Bij een serie over industriële gebouwen combineerde ik bijvoorbeeld korrelige zwart-wit foto’s met grof geweven jute. De korrel verhoogde het gevoel van ouderdom en slijtage dat het gebouw al uitstraalde.
Digitale technieken zijn echter onmisbaar als ik meerdere lagen wil combineren. Met Photoshop kan ik een foto eerst omzetten in een rasterpatroon dat doet denken aan een weefselstructuur. Dat raster print ik vervolgens op een dunne zijde die ik weer op een dikkere drager naai. Zo ontstaat een dubbele laag die zowel digitaal als handmatig tot stand is gekomen.
Documentatie van het creatieve maakproces
Het registreren van het proces helpt om later terug te kijken op beslissingen die tijdens het maken zijn genomen. Ik schiet elke tussenstap met een onveranderlijke camera-standaard en dezelfde lichtinstelling. Zo komt er een serie die illustreert hoe een idee zich evolueert van schets tot finale uitvoering.
De documentatie omvat ook gefaalde pogingen. Een print die te donker valt of een naad die scheef loopt, wordt tevens gedocumenteerd. Door deze tegenslagen te bewaren, ontdek ik regelmatigheden in wat niet werkt en kan ik die in een volgend project omzeilen. Het verzameling van mislukkingen is om die reden even waardevol als het archief van goede creaties.
De documentatie wordt uiteindelijk op zich een kunstwerk. Ik haal eruit een reeks procesfoto’s en print die op dun blad dat ik nadien op het uiteindelijke textielwerk bevestig. Zo komt er een dubbele structuur waarin enerzijds het eindresultaat als de traject ernaartoe waarneembaar is. Dit geeft de beschouwer een blik in de complexiteit van het creatieve proces.